
BOB'S HUIS
Ik ontmoette Bob in 2014 in het centrum van Maastricht, wachtend voor een stoplicht om de straat over te steken. Op mijn vraag of ik hem mocht fotograferen, volgde een dialoog die ik nooit zal vergeten:
- Je kunt me helemaal niet fotograferen.
- Hoezo niet?
- Omdat je me niet kent.
- Nou, dan moet ik je maar beter leren kennen.
Niet veel later zaten we in een café en kreeg ik zijn adres op een bierviltje. Hij vertelde me dat hij zich nog nooit had laten fotograferen. De week erna stond ik voor het eerst voor de deur van zijn woning in Groot Welsden, een Limburgs gehucht in het heuvelland. Een bel was er niet, wel een klopper. Verder viel me nog niet zoveel op aan zijn huis. Totdat hij opendeed en ik mijn eerste stappen in de smalle gang zette, struikelend bijna over de dozen en gestapelde spullen. Er was geen stromend water, geen werkend toilet en douche, geen keuken om in te koken en amper iets om zijn kamers mee te verwarmen.


Sindsdien bezocht ik hem regelmatig in zijn vervallen huis. Als ik langskwam was hij altijd met een klusje bezig. Hij repareerde de gaten en scheuren niet als een vakman, maar als een kunstenaar, met creatieve oplossingen. Zijn huis bleef vochtig door de lekkages. In de winter kon het er erg koud zijn, maar daar klaagde hij nooit over. Hij had altijd dezelfde sandalen aan, en droeg ze met en zonder sokken. Sommige ruimtes waren te gevaarlijk om te komen. Soms hielp ik hem om zware spullen te verplaatsen. Elke kamer was zo volgebouwd dat je er nauwelijks kon lopen. Iets weggooien, daar was hij niet van. Aan het einde van de middag was de batterij leeg. Dan ging hij op zijn bed zitten, achter zijn rooktafel, omringd door dozen met boeken, kleren, lege tabaksblikken, verfspullen en een schildersezel. In deze ruimte, die ooit een woonkamer moet zijn geweest, leefde en sliep hij.




Sinds zijn vrouw hem had verlaten, en zijn kinderen weigerden om langs te komen, leefde Bob in quarantaine. 'Mensenleeg is het hier', noemde hij dat. Behalve een televisie was er geen afleiding.
Als ik er net was leek hij even tijd nodig te hebben om van zijn innerlijke wereld los te komen. Meer nog dan een doener, was hij een denker. Dat denken putte hem uit, zei hij vaker. Bob filosofeerde over de werking van de ogen, over wat licht is, over complexe wetenschappelijke vraagstukken. Veel begreep ik er niet van. “Ik ben hoogleraar in de zwammelogie”, zei hij eens met veel zelfironie. Intelligent was hij zeker, en belezen ook. Hij was hoogbegaafd en koos voor een studie medicijnen. Omdat zijn opleiding volgens hem niks met echte geneeskunde te maken had, stopte hij ermee. Het liefste schilderde Bob, net als zijn twee zussen. Bob probeerde zijn gedachten over complexe vraagstukken te vertalen naar verf op het doek. Hij werkte jarenlang aan een schilderij, was nooit tevreden.




Bob sprak niet graag over zijn verleden. Ik mocht er wel naar vragen, en dan volgde er soms iets wat op een antwoord leek. Gaandeweg kreeg ik door dat hij veel verdriet had over het mislukken van zijn huwelijk.
“We waren te snel getrouwd, ik was er nog niet klaar voor om vader te worden”, zei hij. Zijn trouwfoto, waarop zijn ex te zien was met een zwangere buik, stond vooraan op een kastje, goed zichtbaar. Er lagen gele rozen voor van plastic.
Er waren ook geboortekaartjes van kleinkinderen. Omdat die nooit op bezoek kwamen bij opa, zelfs niet op zijn verjaardag, stelde ik voor om bij hen langs te gaan. Hij trok schone kleren aan en kamde zijn haren. Dat deed hij altijd als we ergens naar toe gingen. Op de bruiloft van zijn dochter was hij alleen welkom in de kerk en bij de lunch, niet tijdens het feest.





Liever dan over zijn verleden sprak Bob met mij over kunst. Of hij liep leeg over de maatschappelijk werkers die hem niet echt hielpen om het probleem met zijn huis op te lossen. Hij vond dat de overheid schuldig was, net als zijn buren. En dan was hij boos omdat niemand zijn verhaal geloofde over de oorzaken van de problemen met zijn huis.

In het voorjaar van 2022 legde de gemeente Bob een boete op om hem te dwingen de muren van zijn huis te verstevigen en het lekkende dak te repareren. Een oude kennis was bereid te helpen, op voorwaarde dat Bob tijdelijk zijn huis zou verlaten. Hij belandde op een camping op een boerderij, op 45 minuten lopen van zijn huis. Maar Bob was niet tevreden met het resultaat. Het dak was slecht gerepareerd en lekte nog steeds. Dus ging hij zelf weer aan de slag. Zijn buurman zag hem op het gemeenschappelijke dak en belde de politie. Twee agenten kwamen langs en sommeerden hem te stoppen.
Opnieuw stond hij er alleen voor in zijn strijd tegen de vochtigheid. Geheel onverwacht bood een professionele dakdekker - die om de hoek aan een ander huis werkte - aan om Bob in de weekenden te helpen. Voordat de winter inviel, was het dak gerepareerd. Maar het huis was verre van winddicht. De kou en de vochtigheid bleven binnenstromen door de kapotte ramen en deuren. Om de luchtvochtigheid te verminderen en zichzelf warm te houden, kocht Bob elektrische minikacheltjes die hij gemakkelijk kon verplaatsen.





Steeds meer kamers in zijn vervallen huis werden onbruikbaar, zijn leefruimte werd steeds kleiner. In 2023 trof ik Bob aan in bed, totaal verwaarloosd en in de war. Het was duidelijk dat er iets moest gebeuren. De maatschappelijk werker overlegde met de gemeente, maar die kon niets voor hem doen, omdat hij in zijn eigen huis woonde.




Op een nacht vond de politie hem lopend op de provinciale weg en bracht hem naar een psychiatrisch ziekenhuis. De opname maakte van hem een andere Bob. Met geknipte haren en schone nagels en kleren. Van zijn kamer maakte hij meteen een atelier, tot ongenoegen van de verzorgers.


Zijn kinderen zagen in de nieuwe situatie een kans om hem uit zijn huis te krijgen. Daar was een uitspraak van een rechter voor nodig. Bob verloor daarmee de regie over zijn eigen leven. Hij miste wie hij was, en zou het liefst naar zijn eigen huis terug keren. Maar dat kan niet meer. Zijn woning werd door zijn kinderen leeg gehaald en te koop gezet.We zijn er nog één keer geweest om afscheid te nemen.




Bob staat al een tijdje op een wachtlijst voor een eigen kamer in een verbouwde boerderij. Daar wonen mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Hij kijkt er niet echt naar uit. Als hij niet creatief bezig is, ligt hij veel op bed. De nieuwe situatie heeft ook onze relatie veranderd. Als we samen ergens naar toe gaan, zit hij stil in de auto. Hij staart voor zich uit en heeft duidelijk geen zin in een praatje. Laatst vroeg hij me: "Waarom kom je me eigenlijk bezoeken?" Ik antwoordde dat ik me betrokken voel en hem en onze band waardeer. Dat vond hij geen goed antwoord. Bij het afscheid zeiden we alleen ‘dag’. En niet ‘tot ziens’, zoals gebruikelijk.
